Lerende netwerken gericht op voorkomen van verplichte zorg gestart met kick-off bijeenkomst

210818_Visual 2_klein voor samenvattingskaart3

In de herziene versie van de kwaliteitsstandaard Assertieve en verplichte zorg is het voorkomen van verplichte zorg een belangrijk onderdeel. Binnen de coalitie “Zorg zonder dwang is een keuze” werken verschillende organisaties met elkaar aan het verminderen van verplichte zorg. Onder andere door het vergroten van bewustwording en het opzetten van een lerend netwerk. Het voorkomen van verplichte zorg is een complex vraagstuk en een gezamenlijke uitdaging die om veel verbinding vraagt. Tijdens de kick-off bijeenkomst waren 85% van de ggz- instellingen die verplichte zorg leveren vertegenwoordigd.

Kick-off bijeenkomst
De coalitie wordt gevormd door Stichting HIC/ART, F-ACT Nederland, de Nederlandse ggz (Waardenetwerk zorg en veiligheid), Nederlandse Politie, MIND en Akwa GGZ. Tijdens de kick-off bijeenkomst op 17 mei waren 59 geïnteresseerde professionals en ervaringsdeskundigen aanwezig namens meer dan dertig ggz-organisaties. Met als doel bestaande leernetwerken met elkaar te verbinden en een start te maken met nieuwe leernetwerken van klinische en ambulante teams

Verschillende sprekers deelden hun ervaring over het voorkomen en toepassen van verplichte en assertieve zorg. In een workshop spraken bestuurders met elkaar over uitbreiding van de coalitie en de vorming van een landelijk platform. In een andere workshop verkenden vertegenwoordigers van ambulante en klinische teams de mogelijkheid om met elkaar een lerend netwerk te vormen.

Delen van informatie en van elkaar leren
Sprekers deelden onder andere hun ervaring met het delen van informatie en onderling van elkaar leren, om verplichte zorg te verminderen en benoemden het belang van ervaringsdeskundigheid. Bekijk hier een korte compilatie van de sprekers. Na korte pitches in het plenaire gedeelte zijn de sprekers in aparte workshops in gesprek gegaan met de deelnemers.

Bouke Bijnsdorp, voorzitter stichting HIC/ART en directeur GGZ inGeest benoemde dat ondanks alle nieuwe structuren van wetgeving, partijen hebben geconstateerd dat er meer moet gebeuren rondom het voorkomen van verplichte zorg en dat het van groot belang is om met elkaar verbinding op dit thema te creëren.

Fred Balhuizen, beleidsmedewerker MIND, gaf aan hoe belangrijk het is ervaringsdeskundigheid uit de achterban van MIND in te brengen in de lerende netwerken en de rol die het MIND Expert Center hierin kan spelen.

Niels Mulder, psychiater en voorzitter van de NVvP, gaf aan dat de noodzaak om dwang toe te passen lager moet worden. “Er is geen wetenschappelijk onderzoek wat laat zien dat ambulante dwang beter is dan geen ambulante dwang, integendeel. We moeten er daarom grote vraagtekens bij zetten of dit niet anders kan.” Hij sprak de hoop uit dat er dankzij de inzet van de coalitie steviger aan gewerkt wordt en de cijfers van het toepassen van verplichte zorg echt omlaaggaan.

Markus van der Burgh, projectmanager van Akwa GGZ lichtte de uitkomsten van een enquête onder 268 professionals over assertieve en verplichte zorg toe. “De meeste zorgprofessionals vinden assertieve en verplichte zorg onmisbaar en noemen assertieve zorg een goede manier om verplichte zorg te voorkomen. Van de respondenten ervaart 60% knelpunten bij het aanbieden van assertieve zorg en 76% bij de uitvoer van verplichte zorg.”

Houkje Tamsma, psychiater en geneesheer-directeur GGZ Friesland liet zien wat zij bereikt hebben met onderling leren met een groep geneesheer-directeuren. “We hebben die behoefte gevoeld en voelen ook het enthousiasme erover. Als je het op een goede manier doet dan is het enorm inspirerend, het geeft verbinding, het geeft plezier in het werk. Het is heel plezierig om met mensen die met dezelfde doelen werken dit te kunnen delen.”

Albert Blom, psychiater en directeur zorg GGZ Noord-Holland-Noord, liet zien hoe er binnen Volante informatie-uitwisseling tussen HIC-afdelingen plaatsvindt en hoe organisaties zo van elkaar leren. “We gebruiken onder andere de Positive Perception vragenlijst die wordt afgenomen bij iemand die de HIC verlaat, met 9 vragen en één open vraag, de laatste open vraag geeft onverwachte inzichten.”

Eric Noorthoorn, onderzoeker GGNet, “ik hoor van veel instellingen dat ze aan het worstelen zijn met wat zinvolle data zijn en aan welke je minder hebt. We hebben een real time dashboard wat bijvoorbeeld ontwikkelingen op afdelingsniveau kan bijhouden en dat geeft veel informatie voor sturen.”

Cari van Slooten, psychiater bij GGZ inGeest, werkt sinds 2014 met zijn team aan het terugdringen van dwang, dit tegen de landelijke trend in. ”Altijd kritisch kijken naar de noodzaak tot verlengen én elke keer opnieuw een analyse maken van de risico’s en de mogelijkheden. Bij twijfel in overleg en geef iedereen in een kans.”

Deelnemen aan lerend netwerk Voorkomen van verplichte zorg
Akwa GGZ ondersteunt een lerend netwerk Voorkomen van verplichte zorg. Hierin kunnen zowel klinische als ambulante teams van verschillende organisaties ervaring en informatie uitwisselen om met én van elkaar te leren. Hypotheses en verbetermogelijkheden worden besproken en omgezet in een concreet en uitvoerbaar plan van aanpak op teamniveau.

Teams krijgen ondersteuning van een projectleider en per team leidt dit tot een eigen plan van aanpak. Elke 3 maanden vinden bijeenkomsten plaats waarin vertegenwoordigers van de deelnemende teams met elkaar succesvolle casuïstiek delen én informatie en ideeën uitwisselen.

Er zijn inmiddels vijf ambulante teams die meedoen aan dit lerend netwerk. Wil je meer weten of als organisatie aansluiten bij dit lerend netwerk? Neem dan contact op met Ben van der Putten, projectleider lerend netwerk Voorkomen verplichte zorg.

Activiteiten van de coalitie
Op landelijk niveau wil de coalitie verschillende initiatieven aan elkaar verbinden, bijeenkomsten organiseren en bijdragen aan het leren van elkaar. 7 maart 2023 is er een congres over het voorkomen van verplichte zorg. Wil jij op de hoogte blijven van activiteiten en nieuws van de coalitie? Meld je hier aan.

Publicatie over de evaluatie van de ART monitor

Wetenschappelijk-onderzoek

Tussen 2017 en 2019 is er onderzoek gedaan naar de ART monitor. De centrale vraag was of dit nou een goed instrument is om de mate van implementatie binnen teams te meten? Teams en auditoren die met de ART monitor werken blijken het als een goed instrument te ervaren . De ART monitor is naar aanleiding van de bevindingen van dit onderzoek verder aangescherpt. Lees hier alles over in het recent gepubliceerde artikel! U kunt deze openen via deze link.

Wij danken alle 18 ggz-instellingen en RIWBs die deel hebben genomen aan dit onderzoek en in het speciaal de auditoren en teams die een actieve rol hebben gespeeld!

De ART onderzoeksgroep:

Lieke Zomer
Yolande Voskes
Lisette van der Meer
Jaap van Weeghel
Guy Widdershoven

De gevalideerde ART monitor!

De afgelopen 2 jaar vond er een groot landelijk onderzoek plaats met als doel de validiteit en betrouwbaarheid van de ART monitor te onderzoeken. Dit onderzoek is uitgevoerd in samenwerking met 20 verschillende organisaties in Nederland. Data is verzameld aan de hand van audits en terugkoppelingen met de ART monitor. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kunnen we concluderen dat de ART monitor een valide en betrouwbaar instrument is om de implementatie van ART binnen teams te meten.

Klik hier voor de gevalideerde ART monitor.

Graag willen we iedereen die heeft bijgedragen aan dit onderzoek hartelijk danken. Speciale dank aan alle auditoren en teams die deel hebben genomen aan dit onderzoek.

Met vriendelijke groet,

De ART onderzoeksgroep:
Lieke Zomer
Yolande Voskes
Lisette van der Meer
Jaap van Weeghel
Guy Widdershoven

 

 

ART Platformbijeenkomst 4 december 2017

oorspronkelijk-logoklein-2

Platformbijeenkomst Active Recovery Triad (ART)
georganiseerd door de stichting HIC

Op 4 december 2017 vond op de vertrouwde locatie De Soester Duinen in Soest de tweede ART platformbijeenkomst plaats. In een gemoedelijke sfeer konden de ca. 100 aanwezigen hun ART-kennis bijspijkeren via plenaire sessies, pitches en workshops. Uiteraard was er ook weer volop ruimte op met elkaar te netwerken. Het was kortom een interessante en inspirerende ochtend!

Hieronder kunt u de verschillende presentaties en workshops vinden die zijn gegeven op de platformbijeenkomst:

Ontwikkeling ART – Tom van Mierlo

Stand van zaken ART onderzoek – Yolande Voskes en Lieke Zomer<

Workshop ART Monitor – Lieke Zomer en Eveline Duimelaar<

Workshop Cognitieve Adaptie Training CAT – Michelle van Dam<

Workshop ART implementatie in de praktijk – Bram Berkvens en Femke Dirkx<

Workshop Noabergoud: het nieuwe Beschermd wonen? – Geeske van der Weerd<

Reactie van een betrokken vader, Henk

Kartrekkerjpg

Meer aandacht en energie voor de basisvoorwaarden voor het slagen van de ART-methodiek

  1. Persoonlijk in contact zijn is de basis van ART

Een respectvolle vertrouwensband is zoals eerder gesteld de beste garantie of de ART-methodiek succes en een heilzaam effect heeft,  of dat die therapie zelfs schadelijk is wanneer deze vertrouwensband ontbreekt. Daarom zou dit volgens mij bij ART veel meer als nu het geval is voorop moeten staan en daar veel meer energie in gestopt moeten worden. Daar helaas nu nog lang niet iedere verpleegkundige al voor geschikt, bereid  of toe opgeleid. De ART-methodiek is (voor zover ik dat verder kan beoordelen) overigens op zich wel goed doordacht.

  1. Aandacht voor dubbele diagnose problematiek

Ofschoon 80% van de GGZ-patiënten te maken krijgt met (ernstig) middelen gebruik, vind ik daar in de ART-methodiek niet veel en  in ieder geval absoluut  te weinig terug  over het vakbekwaam managen van de verslavingsproblematiek.

Zie ook: Samenvatting verpleegkundige (standaarden ) zorg Verslavingspsychiatrie (bron: Reed Business)

Cliënten met een dubbele diagnose raken de grip op hun leven snel kwijt doordat meerdere processen elkaar negatief beïnvloeden. Het zijn middelen die een gevoel geven, dat je er nièt af kan blijven. In 2010 hadden al 1,2 miljoen mensen ernstige afhankelijkheidsproblemen met alcohol en 85.000 cannabisgebruikers waarvan 35. 000 ernstig, veelal beïnvloed door hun psychiatrisch ziektebeeld. Het is een heel groot maatschappelijk probleem dat veel geld kost, veel inspanning van hulpverleners vergt en veel energie van verslaafden zelf en zijn/haar netwerk vraagt. Veel en veel te lang hebben verslavingsproblemen en daarmee ook de professionals die kozen voor de patiënten die deze problemen ervaren, binnen opleidingsinstituten en instellingen voor gezondheidszorg echt onvoldoende aandacht gehad. Het waarborgen van een goede standaard van zorg begint bij het vaststellen van de kwaliteit van de hulpverlener. Deze is opgebouwd volgens 4 niveaus van verpleegkundige expertise: de basis (MBO+HBO), verpleegkundig specialist, en master. Het onderwijs sluit onvoldoende aan bij de dagelijkse praktijk terwijl de complexheid echter steeds meer toeneemt. Verslaving op zich is geen verpleegkundige diagnose. Vroege signalering, leggen van contacten en geven van voorlichting over de gevolgen aan patiënt en familie is belangrijk. De drie centrale thema`s in de behandeling zijn; het in kaart brengen van het gebruik, ontwikkelen alternatieven daarvoor, opstarten terugvalpreventie en maatschappelijk herstel cq. vergroten van de eigen verantwoordelijkheid van cliënt, recovery door acceptatie van de beperkingen en voorts zijn mogelijkheden te vergroten, m.a.w. herstel van leven.

De behandeling staat of valt met het verhogen van motivatie en het in stand houden daarvan + het vermogen van cliënt en zijn omgeving om te veranderen. Beide zijn sterk verminderd door diverse zeer ernstige psychiatrische problemen zoals chronische schizofrenie en door genetisch bepaalde kwetsbaarheid. E.e.a. tast helaas het vermogen om te veranderen soms zodanig aan, dat cliënt zelfs bijna niet kàn veranderen ook al zou deze het willen. Cliënt moet bereid zijn in zichzelf te investeren.!

Uit onderzoek blijkt dat 80% van de GGZ-patiënten te maken krijgt met (ernstig) middelen gebruik zeker bij oudere patiënten blijkt een vroegtijdige signalering en multidisciplinaire aanpak erg nodig.

1) Eerste invalshoek behandeling verslaving is stabilisatie, gevolgd door gegevensverzameling van psychiatrische en somatische problemen, diagnostiek , adequate medicatieverstrekking e.v. ter ondersteuning van ontwenning en craving en monitoring van de effecten daarvan.

2) Psychosociale aanpak verslavingszorg zoals oppakken van opleidingen, leefstijltraining en psycho-educatie via een langzaam op te bouwen persoonlijke relatie. Een plan van aanpak met een zinvolle dagbesteding is essentieel Ik denk daarbij in dat verband zoals bekend aldus persoonlijk o.a. ook aan de cursus “herstellen doe je zelf in de verslavingszorg”. Info e.v. bij Hanneke en Sabine, j.a.w.m.vangestel@uvt.nl en ssmits@zorgbelang-brabant.nl

3) Moreel existentiële deel cq. het terugwinnen van een bestemming in het leven waaronder bestaans- en levenswaarden. Ik denk daarbij ook aan de cursus “verbondenheid” e.v. gevolgd door een verblijf in het Castle Craig Hospital in Schotland, als het verlangen om van de verslaving af te komen inmiddels bij de cliënt voorop staat, want anders lukt dat echt niet. Info bij info@castlecraig.nl T 070-345628 of enquiries@castlecraig.co.uk T+44 1721 722 763

Goede zorg ook bij onze verslavingsproblematiek, staat of valt dus met de professionele attitude van onze verpleegkundige. Hun vakbekwaamheid heeft direct invloed op de geboden kwaliteit van zorg.

Vakbekwaam managen van de verslavingsproblematiek houdt in, dat de cliënt wordt aangesproken op het gezonde deel, op zijn krachten. De cliënt serieus nemen betekent, dat ook onze hulpverleners de cliënt actief moet benaderen en daadwerkelijk vriendelijk aan zullen moeten blijven spreken op hun gedrag en uitingen die stoornis gerelateerd zijn en gedrag dat is gerelateerd aan het gebruik van middelen en aan zijn/haar verslavingsgedrag. De dynamiek zal niet vanuit de cliënt komen en zal dus via zijn PB-er geactiveerd moeten worden met een niet veroordelende benadering die bestaat uit grenzen stellen en duidelijk aangeven wat er niet kan, welke grenzen er zijn en wat er gebeurt als cliënt die grenzen overschrijdt. Maar ook acceptatie van de cliënt en met oprechte belangstelling informeren hoe de situatie er voor de cliënt zelf uitziet, complimenten geven als de cliënt iets voor elkaar heeft weten te krijgen en motiveren door een betrokken empathische directieve benadering. Dit vraagt inlevingsvermogen in de gevoelens en denkwereld van die cliënt(te) om de opgedane kennis van zijn gevoelswereld samen te delen. Duidelijk zal zijn dat dit alleen lukt een band met cliënt wordt opgebouwd.

Attitude
Professioneel handelen is vanuit een multidisciplinair kader, zodat de verantwoordelijkheid van de behandelaar versus de eigen keuzes van de cliënt gewogen worden. Een goede professional heeft actief oor en oog voor zoveel mogelijk eigen ruimte voor eigen keuzes en voor de waardigheid van de cliënt.

De identiteit van de cliënt versterkend, zodat zijn kwetsbaarheid verminderd door met een goed plan van aanpak te komen om hem zo te leren leven met zijn mogelijkheden en beperkingen. De kwetsbaarheid vermindert door serieus aandacht te besteden aan het netwerk, ook zij zijn deel van de behandeling. Niet alleen de verslaving moet aangepakt worden, maar het netwerk moet daarbij centraal staan en mee kunnen denken in de behandeling (m.i. in zoverre ze dat nog opbrengen)

Bij mensen die al lang verslaafd zijn, is het belangrijk dat de hulpverlener zich realiseert dat eenzaamheid een groot probleem wordt, omdat de kennissenkring bestaat uit gebruikers. Dit betekent dat men contextueel moet kunnen werken. M.a.w. na een individuele bevrijding gaan cliënten weer op zoek naar verbondenheid en gemeenschap. Dit vraagt het doorwerken en doorvoelen wat dit voor die cliënt betekent. De integratie van zowel kennis, houding als vaardigheden van cliënt is dus het doel.

Een CRA-behandeling en contingency-management geeft een attitude die het beste werkt en een relatie tot stand kan brengen waar ook onze cliënt wel bij vaart. Cliënten blijven verslaafd doordat ze omgeven zijn door factoren die de verslaving in stand houden en er dus te weinig alternatieven zijn voor hun verslavingsgedrag dus moet er worden geprobeerd om een andere nieuwe leefstijl te creëren die meer voldoening geeft als het middelen gebruik met beloning voor het gewenste gedrag b.v. in tegoedbonnen of kaartjes ergens voor etc. Dit alles is zoals eerder gesteld, afhankelijk van de inzet, motivatie en de al bereikte (e.v. kleine repeterende) successen van ook onze cliënten en/of er aansprekende alternatieven zijn gevonden of zijn ontdekt voor zijn/haar verslavingsgedrag. De kracht van het werken met protocollen en modellen zit hem in het op de juiste wijze ordenen van de actuele situatie, de diagnose en de lange en de korte termijn doelen om van daaruit de juiste keuze te  maken uit richtlijnen en instellingsafspraken waarbij de rehabilitatie en het herstel van cliënt en zijn netwerk als leidraad dient. Het werken aan herstel en empowerment staat centraal in de attitude en de benadering van de verslaafde. Het methodisch denken en werken vanuit een verpleegkundig behandelplan is hierin leidend voor de professie. Het is ook bij ons de verpleegkundige specialist die een voortrekkersrol in de brugfunctie vervult tussen de verpleegkundigen en het instituut, zodanig dat voor de cliënten met inbegrip van de DD. cliënten, de meest optimale zorg centraal blijft staan.

Uiteraard blijf ik de richtlijnen van het Trimbos/LEDD (www.LEDD.nl) in kwestie richtinggevend vinden maar ofschoon dit werkelijk aanvankelijk niet mijn bedoeling was, blijkt dit recent boekwerkje een gedegen onderbouwing te geven aan mijn voorstel en suggestie uit “je eigen leven durven leven” inzake de cursussen “ Herstellen doe je zelf ” en

“ Verbondenheid” maar ik ben van menig dat het een het ander niet uitsluit, want het doel en de handelswijze komen ver overeen.

Dat men m.b.t. de eisen voor verpleegkundige standaarden heeft ontwikkeld is wel belangrijk, maar het gaat mij te ver om in dit kader nog verder in te gaan op competenties van verpleegkundige in de verslavingspsychiatrie, want het zit hem hoe dan ook toch vooral in het wel of niet implementeren van die verworven kennis en m.i. vooral in het van nature aanwezige betrokken inlevingsvermogen.
Evenwicht zoeken tussen leiding geven met oog voor verschillende behoeften op individueel niveau is dè uitdaging.

Conform voornoemde handreiking “vormgeving woonbegeleiding” van het Trimbos/Ledd heb je om herstelgeoriënteerde zorg vorm te geven binnen een team “cultuurdragers” nodig die steeds weer het herstelperspectief naar voren brengen en wezenlijke aanpassingen trachten te bewerkstelligen in bestaande zorgpraktijken zodat die herstelgerichter worden hetgeen bij dit alles o.a. ook mijn doel is.

  1. Ambulant wonen moet ook financieel kunnen

Ambulantiseren is zoals bekend een van de uitgangspunten van ART. Dit is zelfs onoverkomelijk gezien de van overheidswege vereiste beddenreductie waar de GGZ anders op wordt afgerekend.

Uiteraard is de zorg in ART officieel het leidende principe, maar men hoeft geen Einstein te zijn om te begrijpen dat ambulantiseren pas mogelijk is, als de cliënt zelf zijn financiële zaken op orde heeft !

Praktische zaken ter voorbereiding op het ambulantiseren

Cliënten en familie hebben vaak behoefte aan ondersteuning bij het op orde brengen van de financiële situatie. Het zou handig zijn als teams (of ondersteunende maatschappelijk werkers) een toolkit hebben zodat je stap voor stap alle zaken die komen kijken bij zelfstandig gaan wonen na jarenlang klinisch verblijf kunnen worden doorlopen. Het gaat dan om zaken als: aanvragen van een uitkering en toeslagen (huursubsidie, zorgtoeslag etc.), mogelijke schuldsanering, ziektekostenverzekering, aansluitingen nutsvoorzieningen, automatische betalingen, mogelijke bewindvoering, etc.

Contact met de familie , naastbetrokken,

Ik heb bovendien in geen enkel verslag van de besprekingen van ART iets gelezen over datgene waar iedere ouder of naasten zich vanzelfsprekend voortdurend grote en ernstige zorgen over maakt:

Wat gebeurt er met mijn kind (of de erfenis) als de ouders of naasten komen te overlijden en hoe laten ze hun kind of de cliënt ( merendeels met DD) zo goed mogelijk achter zowel qua zorg als financieel zodat hij/zei indien geambulantiseerd, dat ook de rest van zijn leven kan blijven ” !!

Een van de bouwstenen van ART is zoals bekend “ondersteun en werk samen met familie en naastbetrokkenen” Er dient m.i. voor bovengenoemde grote zorg in ART meer aandacht te komen. Maak deze problematiek bespreekbaar!

Testamentair bewind en nalatenschap voor een gehandicapt kind cq. cliënt van de GGZ.

Door vooraf enige maatregelen te nemen, cq. door het op een juiste manier opstellen van een gehandicaptentestament bespaar je de cliënt(te) veel narigheid, belasting en kosten. De wijze waarop e.e.a. testamentair wordt geregeld kan zelfs bepalen of een cliënt wel of niet kan worden geambulantiseerd en/of dat kan worden voortgezet, zoals blijkt uit het volgende voorbeeld cq. publicatie over deze kwestie van Davina & Partners Notarissen te Hilversum. Wilt u hierover meer lezen klik dan naar deze bijlage.

Uitbreiding volmacht bewindvoerder bij een terugval cliënt.

Het is m.i. ook handig dat de bewindvoerder in overleg met cliënte t.z.t. een volmacht overeenkomt “dat die gemachtigd is in alle zaken betreffende zijn behandeling alsook in de vorm van het wettelijk begrip zaakwaarneming waarbij de bewindvoerder met het oog op zijn belang gemachtigd is ook te handelen voor wat betreft zijn verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding ten tijde van een decompressie en/of opname bij de HIC.

  1. Arbeid en activering

De doelstelling van ART is ook activering en inzetten op arbeid. Gezien de huidige maatschappelijke ontwikkelingen een hele grote uitdaging, naar mijn idee, waarvoor sterke zelf initiërende teams nodig zijn. Vermits 70% van de volwassen cliënten met ernstige psychische klachten wil werken, is men m.i. alleen al uit dat oogpunt reeds genoodzaakt om t.a.v. die arbeid, dagbesteding  en vooral m.b.t. de doelstelling in ART nieuwe arbeidsplaatsen, kansen en leuke activiteiten voor betreffende cliënten te creëren. Dit houdt ook in, dat de verzorgende en het overige personeel dat werkzaam is bij de zorginstelling, andere scholing moet krijgen om dat veranderproces goed en professioneel te begeleiden alsmede  het management. Daarnaast dienen vakbekwame ambachtelijke leermeesters aangetrokken te worden die psycho-educatie dienen te volgen en daar ook in de praktijk toepassing aan willen geven. Ook het zorgproces dient daar logistiek op aangepast te worden zoals de instroom, doorstroom en uitstroom. De huidige inrichting van de zorginstellingen hebben m.b.t. hun zelfvoorziening en als zorgboerderij etc. al de nodige faciliteiten die dus in kwestie alleen nog maar uitgebreid en anders georganiseerd moeten worden m.a.w. veel meer initiërend zelfvoorzienend en meer kostenbesparend. Verder ontvangt de zorgaanbieder in het kader van de toekomstige persoonsvolgende bekostiging straks pas een vergoeding, op het moment dat de cliènt zijn voorkeur voor de wijze van zorgverlening uitspreekt. Het is niet denkbeeldig dat er zodoende concurrerende particuliere initiatieven verschijnen, c.q. de cliènt dan kiest voor zorg die hem het meeste aanspreekt.

Het is in de huidige maatschappij in Nederland voorts zo gesteld, dat 50-plussers  ook die met een uitstekende opleiding en veel ervaring, toch het imago hebben dat ze niet flexibel genoeg, te duur, en te vaak ziek zijn. Dit alles ondanks dat daar subsidieregelingen voor  zijn en werkgevers zich  makkelijk kunnen indekken tegen die kosten van ziekte. De kans dat een 50-plusser langer dan een jaar zonder baan zit is twee keer zo groot als gemiddeld. De kans dat iemand met een kwetsbaarheid voor psychose aan een baan komt is dus  al helemaal gering. De participatiewet dwingt werkgevers om die soort werknemers toch aan te nemen, maar die kan daardoor niet meer concurrerend werken en/of gaat daar aan ten onder. Men zal m.i. derhalve veel  liever een boete riskeren/betalen, dan het voortbestaan van het bedrijf in gevaar te brengen.

Relevante uitgangspunten van ART zijn naast relationeel,  risico`s nemend en lerend o.a.:

  • Meer expertise van buiten de ggz binnenhalen (Leermeesters psycho educatie geven)
  • Een veilig therapeutisch milieu en omgeving ( zoals binnen de huidige zorginstellingen)
  • Gericht op zijn levensverhaal en zingeving   (conform assessment  cliënt  motiveren)
  • Flexibel inzetten en mogelijkheid tot intensivering   (wijzigen opleiding  haalbaarheid)
  • Specialistische know how  (bij cliënt) ontwikkelen  (voortbordurend op zijn talent)
  • Vanuit onophoudelijk/onvoorwaardelijk vertrouwen  (geduldig naar goed resultaat )

Mijn persoonlijke ervaring

Twee van mijn 4 zonen hebben helaas de ziekte schizofrenie, waardoor ik daar al 28 jaar kennis en ervaring over heb opgedaan. Ik heb voorts ruim 2 jaar in de FWEL (functie werk en doorbraakcommissie Etten-Leur) de belangen van cliënten en hun familie behartigd en daar vele stukken ingebracht. Binnenkort krijgt een van mijn kinderen te maken met deze methodiek en ben ik hierover na het lezen daarvan het volgende van mening.

Chronische schizofrenie en zijn genetisch bepaalde kwetsbaarheid tast helaas het vermogen van een cliënt zodanig aan, dat die zelfs bijna niet kàn veranderen ook al zou hij dat willen. Wil men dat met de ART-methodiek toch bereiken dan geld ook m.i. absoluut het volgende:
Niet de gekozen Therapievorm, maar de relatie tussen behandelaar en cliënt (er gewoon voor hem zijn met over en weer een sterke respectvolle vertrouwensband) bepaalt of diens gezondheid verbeter of verslechtert, volgens recent universitair psychologisch onderzoek van 300 cliënten met psychosen. Dit heeft m.i. zeker ook te gelden voor de ART-methodiek.
Voor alles moet de PB-er dus (liefst en zo mogelijk van nature) allereerst een innig contact en verbondenheid voelen, er oprecht voor de cliënt zijn, letterlijk en figuurlijk bereikbaar zijn, een goed invoelingsvermogen hebben en in de cliënt hoe dan ook blijven geloven. Professioneel afstand houden is normaal wel verstandig, behalve bij psychoses. Empathie is goed. Niet overdrijven, aldus ook Jules Tielens. Zonder die basis zijn alle vervolgstappen hoe goed ook bedacht, zinloos!!! Het slagen van de ART-methodiek staat of valt dus met bovenstaande professionele attitude van onze verpleegkundige en dat is iets geheel anders dan alleen een goede werkrelatie. Dat een cliënt zijn eigen vertrouwenspersoon mag kiezen vind ik  prima maar als er nadien e.v. onoverkomelijke problemen of teleurstellingen zijn, moet de cliënt zowel als de verpleegkundige iemand anders kunnen kiezen waar hij/zei dat onmisbaar contact (dat veel verder gaat dan het kennismakingsgesprek) wel mee kan leggen. Uitspraak van een cliënt:
als zo iemand je niet ligt werkt er niks wat ze je ook proberen te laten doen en denk je, doe me een lol en ga maar ergens anders poppenkast spelen.
Een respectvolle vertrouwensband is dus een eerste vereiste voor het welslagen en als die ontbreekt heeft de ART niet alleen geen kans van slagen maar kan die therapie volgens recent onderzoek zelfs schadelijk zijn voor de cliënt en moet die beëindig worden, wat ik persoonlijk vreselijk jammer zou vinden, want ik begrijp als geen ander hoeveel tijd en energie daarin is en nog wordt gestopt.

Tot zover mijn inzet als FED (familie ervaringsdeskundige) met 25 jaar vaak erg diep ingrijpende ervaringen.

Henk

Graag horen we uw ervaringen met langdurige verblijfszorg en mening over ART. Op de eerste plaats om hier met elkaar van te leren. Wat is helpend en wat belemmerend voor het herstel van uzelf of van uw naasten?
Heeft u een verhaal dat ons helpt om ART goed vorm te geven meldt u dan via het contactformulier, of neem op andere wijze contact met ons op.

“Ik wil die ervaringswerker zijn die ikzelf heb gemist”

start here

Bas Platvoet, afkomstig uit het Twentse Oldenzaal, werkt als ervaringsdeskundige bij GGZ Leiden. “Als ervaringsdeskundige kun je voor je eigen verhaal uitkomen zonder een façade op te hoeven houden. Dat werkt bevrijdend, en het is handig als je veel hebt meegemaakt. Eigenlijk heb ik de psychiatrie ingeschakeld als instrument naar een gezond leven.”

Bas werkte 15 jaar in de horeca, waarvan 3,5 jaar in het buitenland. Terug in Nederland begon hij in 1999 aan een opleiding consumptieve techniek (kookleraar) bij PTA Fontys in Amsterdam en werd hij kookleraar in het speciaal onderwijs. Kort na zijn verhuizing naar Leiden bleek zijn vader echter een terminale vorm van darmkanker te hebben. De prognose was 3 maanden, maar hij heeft uiteindelijk nog een jaar geleefd. Een maand na de diagnose van zijn vader kreeg Bas zelf uitvalsverschijnselen aan zijn rechterzijde en onderlijf. Het bleek te gaan om een nekhernia, waarvoor hij op 28 december 2001 werd geopereerd. “Ik was bang dat ik vanaf mijn nek verlamd zou raken, maar toen ik uit mijn narcose ontwaakte, bleek ik vrijwel alles nog te kunnen bewegen. Wel had ik onder meer moeite met lopen en staan, had ik last van darm- en blaasproblemen en neuropathische pijn en was ik snel vermoeid. De einddiagnose was een incomplete dwarslaesie. Ik had echter geluk gehad met het feit dat ik nog wel kon lopen.”

Na zijn revalidatie ging Bas op arbeidstherapeutische basis aan het werk. Door misverstanden ging dat echter niet goed, waarna hij werkloos werd. Hij werd gedeeltelijk arbeidsongeschikt en kreeg voor een deel WW.

Alvast in zijn graf gaan liggen

“Zo had ik binnen korte tijd vier ‘life events’. Het verlies van mijn baan vormde echter de druppel. Ik gleed af in een zware depressie, die bijna 5 jaar heeft geduurd. In februari 2003, net na de dood van zijn vader, meldde ik me bij GGZ Leiden. Daar kreeg ik de diagnose ‘depressief-psychotisch’. Het was een heftige tijd, met angsten, depressies en crises. Juist de angst voor de dood heeft me toen in leven gehouden. Ik dacht veel na over de dood en had een gevecht met de eenzaamheid en met het leven. Soms werd mijn beleving surrealistisch. Ik ging als het ware alvast in mijn graf liggen en fantaseerde dat mensen me zagen liggen en zeiden: ‘tot ziens, ga maar!’”

In die tijd kwam er ook nog een strijd bij met het UWV. “In september 2006 kreeg ik een brief dat ik 35.000 euro moest terugbetalen doordat ik ten onrechte twee uitkeringen had (WW en WAO). Met mijn uitkering van amper 900 euro per maand zou ik daardoor 40 jaar lang moeten aflossen – een vreselijk perspectief. Door dit alles kwam er in november 2006 nog een zware psychose overheen. Bas werd met een IBS opgenomen en kwam in een isoleercel terecht. “Nooit in mijn leven was ik zó doordrenkt van angst. Bij flarden kan ik me er nog wat van herinneren. Mijn cannabisgebruik zal daar ook geen goed aan gedaan hebben; ik gebruikte het als zelfmedicatie en om in slaap te komen.”

Na de psychose begon Bas echter te werken aan zijn herstel. “Dankzij die psychose kreeg ik het besef dat ik mijn leven moest omgooien. Als ik op de oude voet was doorgegaan, zou ik het niet hebben overleefd. Ik was destructief en ging alsmaar door, zonder te luisteren naar mezelf of naar mijn hulpverleners.” Hij ging toen op meerdere fronten aan de slag, met hulp van een spv’er. Met behulp van een advocaat werd de schuld bij het UWV kwijtgescholden. Om zijn lichamelijke conditie op te bouwen en mentaal sterker te worden, ging hij fanatiek fietsen en fitnessen. Ook ging hij als vrijwilliger gehandicapte kinderen vervoeren. “Ik merkte dat er langzaam weer een stijgende lijn in zat. Ik kreeg meer zelfvertrouwen en durfde wat meer onder de mensen te komen. Na verloop van tijd kon ik het weer aan om op een terrasje te zitten en vond het steeds leuker om mensen te kijken. ‘Wie lacht niet, wie de mens beziet?’ Ook nu nog vind ik het hartstikke leuk om mensen te kijken.”

Tranen bij contract

Bas volgde tevens een Liberman-training, om meer inzicht te krijgen in zijn cannabisverslaving. “Zo kwam ik in contact met mijn huidige teammanager Yvonne Winkelmolen. Ze startte een kookclubje bij GGZ Leiden en vroeg of ik dat wilde begeleiden. Omdat ik een bezigheid zocht, ging ik dat doen. In het begin stond ik er met knikkende knieën en tolde van onzekerheid. Kon ik nog wel aardappelen koken en andere taken doen? Maar gaandeweg ging ik het steeds leuker vinden; ik heb het 4,5 jaar gedaan.

Met Kerstmis 2010 (inmiddels was ik lid van de Cliëntenraad GGZ Leiden) stond ik op een koude winderige avond bij het graf van mijn vader. Ik zei dat ik graag weer wilde gaan koken en vroeg of hij me een handje kon helpen. Kort daarna kwam ik bij de opening van de nieuwbouw in Oegstgeest Yvonne Winkelmolen tegen. Ze zei dat ze een nieuwe kliniek gingen openen op het terrein in Oegstgeest en vroeg of ik daar kok wilde worden. Hoewel ik nog erg onzeker was, heb ik ja gezegd. Toen ik op 27 september 2011 mijn arbeidscontract tekende, pinkte ik een traantje weg, want ik had me er al bij neergelegd dat ik de rest van mijn leven in de WAO zou zitten. Op 15 november ben ik aan het werk gegaan. Inmiddels ben ik betaald ervaringswerker met een vast contract. Ook verkeer ik in een goede lichamelijke en geestelijke gezondheid.”

Toen ik werd aangenomen, had ik een dubbelfunctie: kok en ervaringswerker. Maar dat bleek uiteindelijk toch niet prettig te combineren. Het aansturen van de keuken is erg arbeidsintensief; daardoor heb je nauwelijks tijd om je ervaringsdeskundigheid te ontwikkelen. In april van dit jaar zijn we echter de daadwerkelijke samenwerking aangegaan met Cluster Hotel, een onderdeel van GGZ Rivierduinen, waarbij er nieuwe koks bij onze kliniek in dienst zijn gekomen. In de begintijd zat ik nog in een transitieproces om de keuken goed over te dragen, maar dat is vrijwel afgerond. Nu kan ik me verder ontwikkelen als ervaringswerker; dat is wat ik graag wil. Je moet dat echter langzaam ontwikkelen; ook de cliënten moeten eraan wennen.”

Van ziektegericht naar krachtgericht

“De essentie van mijn huidige werk is: aansluiten bij de kracht van cliënten; dat kan me ontzettend inspireren. Ik vind het prachtig om te zien hoe cliënten aan hun herstel werken. Ik zie hoe ze binnenkomen en waar ze na verloop van tijd staan. Pas had ik een fantastisch gesprek met een cliënt die anderhalf jaar geleden was opgenomen. Hij toonde inzicht en de wil om eruit te komen. Ook wist hij wat zijn talenten en tekortkomingen waren. Als het goed gaat, geef ik ook complimenten.

In het team is men nog veel ziektegericht, terwijl ik uitga uit van de kracht van een cliënt. Kijk naar wat er wél goed gaat: hoe groot is iemands veerkracht; waar zitten zijn talenten?

Die omslag maken naar herstelgericht denken is een proces dat veel tijd kost om zorgvuldig uit te voeren. Al helpt het zeker dat ons team nu is geschoold in SRH (systematisch rehabilitatiegericht handelen), de methodiek van de RINO-groep. Binnenkort volgt een ROPI-meting (Recovery Oriented Practices Index) en we doen mee aan het Doorbraakproject ROM (Routine Outcome Monitoring). Dat zijn allemaal ingrediënten voor een herstelgerichte toekomst voor onze cliënten en onze kliniek.”

‘Betaalde hobby’

Bas is de eerste ervaringsdeskundige in zijn team (High Care Oegstgeest). “Ik vind het een zeer motiverende uitdaging en heb het gevoel dat ik echt iets kan bijdragen. Wel merkte ik in het begin nog wat onwennigheid bij het team: kon ik het werk wel aan; zou ik geen terugval krijgen? Eens per maand heb ik intervisie, en 95% gaat over kwartiermaken. Want hoewel er meerdere ervaringsdeskundigen bij GGZ Leiden werken, druppelt het nog maar weinig door op de werkvloer. Je moet stevig in je schoenen staan en vooral klaar zijn met je problemen om je te kunnen manifesteren. Het kost jaren voor het echt is doorgedrongen tot de serieuze psychiatrie.

Eigenlijk wil ik een soort ervaringswerker zijn die ik zelf heb gemist: iemand die aansluit bij een herstelproces dat hij zelf ook heeft beleefd. Er moet een klik zijn. Een supporter van Ajax en een van Feyenoord communiceren niet zo prettig, maar met twee van dezelfde club wordt het hartstikke gezellig. Het is geweldig dat ik nu eindelijk mezelf kan zijn. In Twente zeggen ze weleens: ‘het is nog nooit zo donker of het wordt wel weer licht’. Negen jaar geleden (toen ik al had geaccepteerd dat ik altijd in de WAO zou blijven) had ik nooit gedacht dat ik nog ooit zo’n motiverende baan zou krijgen en me zo goed zou voelen. Het is fantastisch als je dat gevoel kunt uitdragen naar de cliënt. Het is een heel motiverende uitdaging en ik hoop mijzelf te kunnen door ontwikkelen tot een volwaardig teamlid en een inspirerende en gedegen ervaringswerker.

Als mensen vragen naar mijn werk, zeg ik: ‘ik werk niet; ik heb een betaalde hobby.’ Eigenlijk heeft het leven dat ik heb geleid, me gevormd voor het werk dat ik nu doe. Ik heb van de ellende mijn beroep gemaakt. Wel moet ik uitdaging hebben; er moet een beetje strijd in zitten. Ik houd ervan om iets wat bijna niet mogelijk is, toch mogelijk te maken. Zo kostte het als kok aardig wat moeite om er in de keuken gezonde voeding doorheen te krijgen. Ook moest ik weer groeien in het arbeidsproces na een periode van werkloosheid.”

Missing link

“Op de afdeling High Care was het handig dat ik een dubbelfunctie had: ervaringsdeskundige én kok. Want iedereen weet: je moet nooit ruzie krijgen met een kok; dan krijg je slecht eten. Het belangrijkste is: neem de tijd. Ik hanteer graag de presentiemethode en ga bewust ergens in mijn eentje zitten. Vaak komt er dan een cliënt aan dwarrelen. Ik vraag dan of hij een kop koffie wil en dan gaan we samen even zitten. Soms hoef je niet eens iets te zeggen. Vorige week zat ik drie kwartier naast een cliënt en keken we gewoon een beetje naar buiten. Ik wil een bruggenbouwer zijn tussen cliënt en behandelaar. Van een professional móeten ze wat, maar van mij kríjgen ze wat: een gevoel van gelijkwaardigheid en kameraadschappelijkheid. Zo bouw je dat langzaam op. Ervaringsdeskundigheid zie ik ook als een ‘missing link’ in de evolutie van de herstelgedachte.

Een psychiater vergeleek ooit de toekomst van de zorg met een cliënt die met een picknickmandje door een straatje loopt en zelf uitkiest wat hij wil hebben, bijvoorbeeld sport, gezonde voeding of goede psychologische hulp. Zo gaat hij er zelf mee aan de slag. Bedachte dingen zoals een traject of een programma werken niet, omdat daarbij het initiatief bij de hulpverlener ligt. De cliënt moet het echter doen: herstellen doe je zelf, maar niet alleen. Herstellen doe je samen. Volgens psycholoog Frans de Waal is empathie de verbindende emotie die ons tot mensen maakt. En daarin zit hem de kracht van ervaringsdeskundigheid. Want iemand die een depressie heeft meegemaakt, kan zich heel vaak beter inleven in iemand die een depressie heeft. Zelf zou ik zo iemand als raad geven: blijf dicht bij jezelf, en doe dingen waar je je goed bij voelt of waar je vertrouwd mee bent. Ga je eigen weg.”

Geland in de boter

“Ik wil graag helpen om de omslag te maken van ziektegericht denken naar herstelgericht denken. Maar dat vergt tijd en je hebt geduld, vastberadenheid en humor nodig. Ik moet dan ook steeds manoeuvreren tussen medewerkers en cliënten. Ook zou ik graag nog een ervaringswerker bij High Care willen, om mee te kunnen sparren. Al heb ik nu veel minder het gevoel dat ik mijn positie nog moet waarmaken. Ik ben nu veel beter bekend bij cliënten en collega’s; ik ben aardig geland.”

Wel heeft Bas een hekel aan autoriteit en gaat hij het liefst zijn eigen weg. “Maar gelukkig is mijn teammanagement heel flexibel en invoelend en ze laten me vrij. Fantastisch dat ik binnen zo’n organisatie betaald mag werken. Qua werk ben ik niet alleen met mijn neus, maar met mijn hele lijf in de boter gevallen!”

 Stan de Laat

 

Graag horen we uw ervaringen met langdurige verblijfszorg en mening over ART. Op de eerste plaats om hier met elkaar van te leren. Wat is helpend en wat belemmerend voor het herstel van uzelf of van uw naasten?

Heeft u een verhaal dat ons helpt om ART goed vorm te geven meldt u dan via het contactformulier, of neem op andere wijze contact met ons op.